Natuurfotografie, Streekgeschiedenis, Genealogie

Posts tagged “patriotten

Franciscus Hellendoorn Cramer

Vorige week schreef ik over een door de regering opgesteld en verplicht formuliergebed, klik hier. Daarbij gebruikte ik de formulering zoals die in het Groningse resolutieboek werd vermeld. In Friesland was een dergelijk gebed ook voorgeschreven. Een predikant die zich daar niet aan hield was Franciscus Hellendoorn Cramer, de predikant van Suawoude en Tietjerk.

Franciscus was in 1758 in Stavoren geboren als zoon van Douwe Pieters Cramer en Maria Hellendoorn. Hij werd op 13 mei 1787 in Suawoude en Tietjerk bevestigd als predikant.

Franciscus bleek een aanhanger van het patriottisch gedachtegoed te zijn. Toen na de revolutie van 1787 het gezag van de prins van Oranje hersteld was kreeg hij de afrekening gepresenteerd. Op 4 september 1788 namen Gedeputeerde staten van Friesland een resolutie aan waarin Franciscus uit zijn bediening als leraar werd gedeporteerd (afgezet).

De reden daarvoor was “zijn gedrag, gehouden in enige gedane Leerredenen (preken), zo ter plaatse zijner Gemeente als te Hallum, waarin dezelve zich zo disobediënt (ongehoorzaam) aan de stellige orders van het College nopens het bidden van het formulier, maar ook in plaats van dat gearresteerde formulier, de allerhonendste en rust verstorende uitdrukkingen in zijn gebeden heeft gebezigd”. Franciscus moest op die 4 september 1788 verschijnen in de vertrekkamer van het college van G.S. Daar werd hij gehoord over zijn standpunten. Hij wist zich tijdens dat verhoor niet te “zuiveren”.

Het college vond dat dit “ten ene male verderfelijk was voor de algemene rust” en het gevaar lag volgen G.S. daarin dat predikanten “die openlijk en met verachting van de bevelen van ’s Lands Hoge Regering, het Hoogwaardige ambt van Bedienaren van Gods Woord en de leer des Vredes” aan hun toehoorders verachting voor de Soeverein en ontrustende bewegingen inboezemden.

Franciscus moest officieel in kennis worden gesteld van de resolutie en de officier van Tietjerksteradeel moest binnen zes weken een stemming voor een nieuwe predikant uitschrijven. Bovendien werd besloten dat Franciscus nooit weer predikant in Friesland mocht worden. Tevens staat in de resolutie aangeven dat justitie zich ook nog even met Franciscus zou gaan bemoeien.

Inderdaad, justitie zette zijn naam op de criminele rol. Franciscus liet het er niet meer op aan komen en vluchtte (samen met anderen) naar Saint Omer in Frankrijk, iets zuidoostelijk van Calais gelegen, waar hij op 15 september 1788 aankwam. Volgens zijn eigen schrijven leefde hij daar eerst in grote armoede maar was later een jaar lang als Protestants aalmoezenier in dienst van het legioen Franche Etrangère (Bataafse legioen).

Ook in Frankrijk bleek dat Franciscus geen gemakkelijk heerschap was. Hij kreeg het al gauw aan de stok met andere gevluchte en daar verblijvende Nederlandse predikanten. Daarbij speelde op de achtergrond ook nog een verschil van mening tussen Coert Lambertus van Beyma, ook een gevluchte Fries, en andere predikanten een rol. Franciscus maakte zich niet erg geliefd bij zijn ambtgenoten.

In Nederland veranderde intussen de politieke situatie. De Bataafse republiek was uitgeroepen, Oranje was gevlucht en Franciscus keerde terug naar Suawoude en Tietjerk waar hij op 21 juni 1795 opnieuw werd bevestigd als predikant. Zijn opvolger in Suawoude en Tietjerk, Petrus van Gorkum, werd er tegelijkertijd weer uitgeknikkerd en op emeritaat gesteld. Later werd Van Gorkum predikant in Gerkesklooster.

Franciscus Hellendoorn Cramer was in 1789 of 1790 (in Frankrijk) getrouwd met Janet MacKenzie (Willemstad gedoopt 9 maart 1755 – 1823 Suawoude), een dochter van Murdoch McKenzie en Isabelle Jonston. Ook op 21 juni 1795 kwam ze met attestatie van Saint Omer binnen in Suawoude c.s. Ze overleed daar in 1823, waarna de 64-jarige Franciscus binnen vijf maanden hertrouwde met de 21-jarige Geertje de Jong (Leeuwarden 1802 – 1870 Eernewoude), een dochter van Gosse Taedes de Jong en Antje Jacobs. Bij de naamsaanneming in 1811 gaf Franciscus op geen kinderen te hebben.

inschrijving Jannet McKenzie in lidmatenregister Suawoude

familieberichten Hellendoorn Cramer 1823

In het jaar 1801 komt Franciscus nog eenmaal “boven drijven”. Hij stuurde een verzoekschrift aan de Eerste kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafsen Volks.

Daarin verzocht hij om aan hem, evenals aan sommige andere predikanten die uit hoofde van ondergane mishandelingen bij de revolutie van het jaar 1787 hun Vaderland hadden moeten verlaten, zijn gederfde traktement van 4 september 1788 tot 1 mei 1795 alsnog te betalen. Dat had hij berekend op 3700 gulden. Franciscus ving bot, het verzoek van de “Burger F.H. Cramer werd gedeclineert en geweesen-van-de-hand”.

Dan blijft het verder stil rond Franciscus. Hij ging met emeritaat op 1 juli 1834 en overleed in Oenkerk op 14 januari 1840.

overlijdensadvertentie Franciscus Hellendoorn Cramer

De Bataafse republiek was opgehouden te bestaan, Nederland was een deel van Frankrijk geweest en daarna was het huis van Oranje weer aan de macht gekomen. Franciscus hield zich waarschijnlijk rustig, hij zal in de loop der jaren zijn wilde haren verloren hebben en de “botte” afwijzing van de Bataven zal hem misschien ook tot nadenken hebben gestemd.


Verplicht gebed

In de 18e eeuw en eerder was er in Nederland geen sprake van een scheiding tussen kerk en staat. In Nederland was de Gereformeerde (later genaamd Nederlands Hervormde) kerk de bevoorrechte kerk. Bovendien werd deze kerk ingeschakeld voor allerlei overheidstaken. Er was door de overheid een formuliergebed voor gebruik in de kerken voorgeschreven waarin onder anderen voor de overheid en de stadhouder moest worden gebeden. In 1786, 1787 braken overal onlusten uit en de patriotten probeerden onder anderen de stadhouder kwijt te raken. Erg geliefd was Willem V niet. Patriottisch gezinde predikanten hielden zich in die tijd niet meer aan het voorgeschreven formuliergebed. Nadat de Pruissen de opstand de kop hadden ingedrukt en Willem V op zijn post was teruggekeerd werd door de overheid op 15 augustus 1787 een nieuw formuliergebed opgesteld dat verplicht moest worden gebeden door de predikanten.

zonsondergang

Hoe dat voorgeschreven gebed luidde blijkt uit een akte in het resolutieboek van de stad Groningen gedateerd 17 juli 1788. Samengevat kom het hier op neer:

Aan de predikanten in de stad Groningen, in het Oldambt, in Gorecht en in Sappemeer was wel een formuliergebed voorgeschreven. Dat was echter nagelaten in de heerlijkheid Westerwoldingerland. Daarop werd door de heren Burgemeesters en de Raad besloten dat ook aan de predikanten in dat gebied bekend zou worden gemaakt dat zij in hun na-gebed de volgende zinsneden moesten opnemen:

– “Wij bidden U voor het lieve Vaderland, voor deszelvs bestendige welvaart en voorspoed, voor de Kerke daarin geplaatst, en voor deeze Gemeente in het byzonder.

– Wij bidden U voor Hun Hoog Mogenden de Heeren Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden, voor Hun Edel Mogenden de Raaden van Staate.

– Wy bidden U voor zyne Doorluchtige Hoogheid den Heer Prins van Orange en Nassauw, Erf-Stadhouder, Erf-Kapitein en Admiraal-Generaal der Vereenigde Nederlanden, voor Hoogstdeszelvs Koninklyke Gemaalin, en Vorstelyk Huis.

– Wy bidden U voor Hun Edel Mogenden de Heeren Burgemeesteren en Raad der Stad Groningen, voor den Heer Drost en voor de Richters in deeze Heerlykheid en Landschappe, met afsmeekinge van ’s Hemels zegen over hun Bestier en Regeering.”

Verder werden de heren Predikanten ernstig verzocht en ambtshalve gelast hun toehoorders te vermanen en op te wekken tot eerbied voor en onderwerping aan hun wettige landsregering en zo mee te werken aan de bewaring van rust en eendracht.

Ook werden de Drost en Richters gelast er op toe te zien dat deze opdracht werd nagekomen en uitgevoerd.

Dit was dan “toevallig” in Groningen, het voorgeschreven gebed zal overal in het land wel in de archieven terug te vinden zijn, ongetwijfeld met lokale aanpassingen.

Op 1 maart 1796 werd in de periode van de Bataafse republiek de scheiding tussen kerk en staat officieel doorgevoerd. Intussen was stadhouder Willem V gevlucht naar Engeland. Het heeft nog heel lang geduurd voordat men werkelijk doordrongen was van deze scheiding. Toen in 1832 in Ulrum onder leiding van ds. Hendrik de Cock de Afscheiding zich ontwikkelde werden er op last van Koning Willem I militairen ingezet die zich door middel van inkwartiering alsnog weer gingen bemoeien met de leer van de kerk.

Nog steeds, ook nu nog, zijn de meningen verdeeld over wel of niet een scheiding van kerk en staat, zeker als je het wereldwijd bekijkt. Of er ook nu nog ergens door de politiek opgestelde gebeden verplicht worden uitgesproken? Het is me niet bekend, onwaarschijnlijk is het niet.