Natuurfotografie, Streekgeschiedenis, Genealogie

Posts tagged “erfenis

Merkwaardige akte

In oud-Beets, nu op het grondgebied van Nij Beets, vlak bij de A7, ligt een begraafplaats zonder kerk.

kerkhof oud-Beets

Die kerk heeft er vroeger wel gestaan. Een paar verschillende gebouwen zelfs. Het laatste gebouw was de zogenaamde Adelskerk. Wat je daar nog wel vindt zijn een klokkestoel en de contouren van die laatste, zo rond 1984, afgebroken kerk.

klokkestoel kerkhof oud-Beets

In die contouren staat een schuine constructie van baksteen, waartegen aan beide zijden een oude grafzerk is geplaatst. Zerken afkomstig uit de afgebroken kerk(en). Dat zijn de enige grafmonumenten binnen de contouren van de afgebroken kerk, voor de rest vindt je daar alleen maar gras.

grafzerk Lycklama à Nijeholt

De beide zerken behoren bij de familie Lycklama à Nijeholt. Eén zerk is van Augustinus Lycklama à Nijeholt (1670-1744) en zijn tweede vrouw Dido van Andringa (1677-1719).

Augustinus Lycklama à Nijeholt kwam uit een vooraanstaande familie. Zijn vader Lubbert Lycklama à Nijeholt was grietman van Ooststellingwerf. Augustinus werd circa 1670 in Makkinga geboren. Hij studeerde en werd doctor in beide rechten. In 1693 werd hij grietman van Opsterland. In datzelfde jaar trouwde hij met Houkje van Glinstra. Houkje overleed echter nog in datzelfde jaar en in 1695 trouwde Augustinus opnieuw, nu met de 17-jarige Detke van Andringa, een dochter van de grietman van Lemsterland. Detke werd later Dido genoemd en ze overleed in 1719 in Beets / Beetsterzwaag. Ze werd begraven in de kerk van (oud) Beets. Haar naam staat ook op de schuin geplaatste grafzerk.

grafschrift Dido van Andringa

Augustinus en Dido kregen tien kinderen. Dit is eentje meer dan je overal op internet terug vindt. De oorzaak hiervan is misschien dat het Stamboek van de Friese Adel negen kinderen vermeldt. Het stamboek mist de zoon Pierius, die in 1706 werd gedoopt. Niet in dat doopboek staat echter vermeld de dochter Detje (Dido Cecilia) die in 1707 moet zijn geboren. Of heeft de notulist zich vergist en dochter Detje als zoon Pierius ingeschreven? In dat geval zijn er toch negen kinderen. Want het blijft merkwaardig dat nota bene een dochter van de grietman niet in het doopboek staat ingeschreven. Ook merkwaardig is het dan dat Dido Cecilia in 1728 in Gorredijk belijdenis van geloof aflegde samen met haar zuster Romelia Margrieta. Was ze niet gedoopt dan was zeer waarschijnlijk “gedoopt op belijdenis” genoteerd.

Je kunt overigens door de index van het doopboek op de website van Tresoar op het verkeerde been worden gezet want die vermeldt nog meer kinderen van Augustinus Lycklama à Nijeholt. Dat zijn echter kinderen van een oom van “onze” Augustinus. Deze oom Augustinus was getrouwd met Hiltje alias Hillegonda van Hemminga. Zij lieten tussen 1681 en 1691 vier kinderen in Beetsterzwaag / Olterterp dopen, waaronder een Pier. Gelet op de leeftijd van Hillegonda kan de Pierius die gedoopt werd in 1706 nooit een kind van haar zijn. De index op Tresoar vermeld tevens bij Augustinus dat hij secretaris en grietman van Opsterland was. Oom Augustinus was echter de secretaris en oomzegger Augustinus was de grietman. Omdat bij de doopinschrijving van Pierius vermeld staat dat de vader grietman was moet hij dus wel een kind van Augustinus en Dido zijn.

Twee kinderen van Augustinus en Dido zijn jong overleden, Anna Romelia, geboren in 1699 en de al genoemde Pierius uit 1706, als hij ooit heeft “bestaan”. De overige acht kinderen vond ik terug in een ietwat onbegrijpelijke akte uit het jaar 1744. Op 22 juni van dat jaar was hun vader Augustinus overleden.

Op 26 juni 1744 verklaarden:

  1. Livius Suffridus Lycklama à Nijeholt, grietman van Opsterland,

  2. Tinco Lycklama à Nijeholt, raad ordinaris bij het Hof van Friesland,

  3. Lubbartus Lycklama à Nijeholt, secretaris van Opsterland,

  4. Regnerus Lycklama à Nijeholt, grietman van Lemsterland,

  5. Juffrouw Dedtje Lycklama à Nijeholt,

  6. Juffrouw Romkje Margaretha Lycklama à Nijeholt huisvrouw van  Martinus van Bouritius, grietman van Aengwirden

dat zij nog niet besloten hadden of ze de boedel van hun wijlen vader de oud Grietman Augustinus Lycklama à Nijeholt wel of niet wilden aanvaarden. Zij verzochten daarvoor een zodanige tijd van beraad als hun rechtens toekwam. In de acte staan de termen cadiëren (failliet gaan) en repudiëren (verwerpen).

Ze verklaarden tevens niet te zullen nalaten het lichaam van de overledene op een behoorlijke manier “ad piëtatis causa” ter aarde te laten bestellen, zonder dat zij zich echter daardoor als erfgenamen van de overledene zouden willen gedragen en als zodanig aangemerkt.

Op 07 juli 1744 verklaarden aanvullend:

  1. Eritia Lycklama à Nijeholt weduwe van Idsinga,

  2. Daniël Blocq Lycklama à Nijeholt, grietman van Ooststellingwerf,

ook als kinderen van wijlen de oud grietman Lycklama zich te conformeren aan de akte van 26 juni.

Op 10 augustus 1744 verklaarden Tinco, Regnerus en Romkje Margaretha de erfenis te repudiëren en af te staan.

 Nu komen dit soort aktes veel vaker voor in het nedergerechtsarchief van Opsterland (en andere grietenijen). Meestal betreft het dan insolvente boedels, de erfgenamen willen niet met de schulden worden opgezadeld. Bij de grootgrondbezitters-familie Lycklama à Nijeholt zou dit toch niet het geval moeten zijn dunkt me. Maar vooral de term “cadiëren” in de acte staat er waarschijnlijk niet zomaar. Het financiële beeld van de nalatenschap zal dus wel onduidelijk zijn geweest. Daarentegen, als je kijkt naar de grafsteen van Augustinus en Dido, dan levert dat toch geen beeld van armoede op. De akte moet wel serieus worden genomen want de zoon Lubbartus was op dat moment secretaris van Opsterland en onder diens leiding zal er geen onzin over zijn familie in de boeken zijn vastgelegd.

Verder lijkt dit toch een eenmalige actie. Want in 1751 staat de volgende acte in een sententieboek van het Hof van Friesland:

Interlocutaire sententie van 9 februari 1751:

  1. Lubbartus Lycklama à Nijeholt, secretaris van Opsterland voor zich en als gelastigde van

  2. Livius Suffridus Lycklama à Nijeholt, grietman van Opsterland,

  3. Daniël Blocq Lycklama à Nijeholt, grietman van Ooststellingwerf,

  4. Eritia Lycklama à Nijeholt weduwe van Saco van Idsinga, raad fiscaal van de admiraliteit te Harlingen,

  5. Regnerus van Andringa, Livius Dirk van Andringa, de beide laatsten `t recht door uitkoop en afstand gekregen hebbende van Tinco Lycklama à Nijeholt, raad ordinaris bij het Hof van Friesland,

  6. Regnerus Lycklama à Nijeholt, grietman van Lemsterland,

  7. Romelia Margaretha Lycklama à Nijeholt huisvrouw van Martinus van Bouricius, gedeputeerde staat van Friesland en grietman van Aengwirden

  8. en door `t overlijden van Detje Caecilia Lycklama à Nijeholt

als gezamenlijke erfgenamen van wijlen Augustinus Lycklama à Nijeholt in leven oud grietman van Opsterland

contra

Wijnhold Lefringh, koopman te Leeuwarden schriftelijk last en procuratie hebbende van Leffert Leffring, voorrijder van Zijne Doorluchtigste Hoogheid de Prins van Oranje en Nassau etc. etc., door afstand van zijn broeders en zuster universele erfgenaam  van zijn moeder Lysbeth Aises weduwe van Hendrick Leffringh, in leven executeur van Opsterland.

 Dus begrijp ik het even niet meer, in 1744 afstand door drie erfgenamen en in 1751 wel weer opnieuw vermeld als erfgenaam. Alleen Tinco heeft zijn deel van de erfenis door uitkoop en afstand overgedaan aan zijn ooms Regnerus en Livius Theodorus van Andringa. Misschien is er enig verschil van mening ontstaan tussen de Andringa’s en de Lycklama’s over de erfenis van Dido van Andringa. Enig bewijs daarvoor heb ik echter niet, het is slechts een gissing.  Hoe dan ook, het blijft een merkwaardige akte.

Wie weet, misschien kom ik hier nog wel eens op terug. Dan moet ik wel eerst diep de archieven in en daarvoor ontbreekt me momenteel de tijd en de lust. Maar, zoals Brederode al zei: “Het kan verkeren”.

Aanvullingen door lezers zijn van harte welkom, veel weten altijd meer dan één.

Update 16 maart 2017:
In de Neitiid van Jan Post is een artikel opgenomen inzake het faillissement van Augustinus Lycklama à Nijeholt. Dat verduidelijkt het één en ander, zie neitiid.nl/archief/


Tante Akke

Dit is een vervolg op de publicatie over de onbetrouwbaarheid van data in aktes van bekendheid van een aantal weken geleden, klik hier.

Na een zijsprong betreffende het gezin van Jan Binnes, klik hier en diens vermoedelijke zoon Frans Jans, klik hier, ben ik weer terug bij het gezin van Jacob Gjalts en Taetske Douwes uit Wartena. Een gezin met veel schippers in het nageslacht, maar ook een scheepstimmerman.

Oud Wartena circa 1925

Het was dochter Akke van Jacob Gjalts die me op het idee bracht om de familie wat nader te bekijken. Akke was het op één na jongste kind van Jacob en Taetske. Ze trouwde in 1785 te Warga met Marten Rinzes die later de achternaam Veenstra droeg maar ook als Veenekampen werd vermeld. Marten was ook schipper. Marten en Akke kregen geen kinderen en toen Akke in 1839 in Leeuwarden overleed werd een memorie van successie opgemaakt waarin een groot aantal erfgenamen staan vermeld. Ik heb Akkes testament niet ingezien, daarin zal vast hebben gestaan dat alleen de nog in leven zijnde broers en zusters, neven en nichten in aanmerking kwamen voor de erfenis. In de memorie van successie staat een aantal keren aangeven dat wordt voorbijgegaan aan de kinderen van ……….. De levenden kregen daardoor een groter deel van de erfenis van tante Akke.

Uiteindelijk leidde het overlijden van Akke tot een boedelscheiding waarin alle erfgenamen werden vermeld. Alles is verder uitgewerkt in de bijlage die aan deze pagina is gekoppeld, de gezinsstaat van Jacob Gjalts (zie hierna).

Een aantal zaken zijn opvallend:

Akke overleefde al haar broers en zusters met de aangetrouwde echtgenoten (op één na) en ook veel van haar neven en nichten. De enige aangetrouwde zuster die haar wel overleefde was Rinske Sjoerds, de vrouw van haar broer Tjebbe de Vries. Rinske wordt dan ook prompt als erfgenaam opgevoerd.

Bij de kinderen van haar broer Douwe worden genoemd de “afwezige” Jan Douwes de Vries en de eveneens “afwezige”  Jacob Douwes de Vries, beiden voor circa 28 jaar vertrokken. Beide zoons erfden wel maar zijn verder niet goed terug te vinden. Van beide is wel een notariële akte opgemaakt in Leeuwarden (1839 en 1859) waarin ze als erflater worden vermeld. In 1840 is Jan Douwes de Vries erflater. In zijn boedelscheiding treden als erfgenamen op Tjipke Douwstra, Gjalt Douma, Albert Douwstra  en Jacob Douwes de Vries. In 1859 bij de boedelscheiding van erflater Jacob Douwes de Vries zijn de erfgenamen Tjipke Douwstra en de weduwe en kinderen van Albert Douwes. Het zou interessant zijn nog eens uit te zoeken waar die beide broers Jan en Jacob hebben “uitgehangen”. In de overlijdensaktes van Leeuwarden zijn ze niet terug te vinden.

Verder staan alle namen in de bijlage, klik op de link hieronder.

Gezinsstaat Jacob Gjalts x Taetske Douwes – Akkes erfgenamen –

Die memories van successie, die blijken steeds vaker een schat aan informatie te bevatten.

Ook hierin weer zo’n “ketenhuwelijk” deze keer rondom dochter Tjitske.

"Ketenhuwelijk" rondom Tjitske Jacobs