Natuurfotografie, Streekgeschiedenis, Genealogie

Archief voor 15 januari 2012

Rondom Tiensma

Dit is een vervolg op de publicatie van een week geleden ( klik hier) over de kinderen van Engbert en Berberke uit Makkinga. Hun volledige namen zijn Engbert Coenderts en Berber Martens. Ze trouwden omstreeks 1720 en kregen minstens acht kinderen: Coendert, Yda, Marten, Swaantje, Hendrik, Aaltje, Trijntje en  Jantje Engberts. Alleen van Aaltje (1733), Trijntje (1735) en Jantje (1738) zijn doopdata bekend (in Makkinga). Aaltje is waarschijnlijk jong overleden, alle andere genoemde kinderen werden volwassen. Dit is een verslag van de zoektocht naar de voorouders van Engbert  en Berber.

Engbert Coenderts werd zeer waarschijnlijk geboren in Doldersum en dan gedoopt in Vledder op 16 oktober 1692 als zoon van Coendert Engberts en Swaantje Jans die in 1688 in Vledder waren getrouwd en daar behalve twee keer een Engbert (1689, 1692) ook nog een dochter Albertien (1690) en een zoon Jan (1703) lieten dopen. Verder heb ik van Coendert en Swaantje niets terug gevonden.

De zoektocht naar de voorouders van Berber Martens was niet eenvoudig. Maar ook hier schoten haar kinderen me te hulp door in 1777 een proces te beginnen tegen de “beredders” van de boedel van Claas Tiensma en Tietje Jans Baarda uit Franeker. Dit echtpaar was in 1726 in Franeker getrouwd en liet daar tussen 1727 en 1740 vijf kinderen dopen, drie keer een Aaltje (1727, 1730 en 1740) en twee keer een Heerre (1728 en 1733). De jongste Heerre “legde” op 24 juni 1735 een gevelsteen in het huis in Franeker op de hoek van de Zilverstraat en de Kerksteeg, waarin nu een fotograaf is gevestigd. In dat huis zal Claas Tiensma hebben gewoond. Het zoontje Heerre was toen 1 jaar 6 maanden en 17 dagen oud. Hij zal wel wat geholpen zijn bij het leggen van die steen.

gevelsteen Franeker hoek Zilverstaat Kerkesteeg

De initialen: HCT = Heerre Claases Tiensma; CHT = Claas Heerres Tiensma; TIB = Tietje Jans Baarda

Geen van de kinderen van Claas Tiensma werd volwassen. Op 2 juni 1764 lieten Claas Tiensma en zijn vrouw een testament opstellen, waarin de langstlevende tot diens overlijden het vruchtgebruik kreeg toebedeeld. Claas Tiensma, die stadsbode, gerechtsbode, mede vroedschap en koopman-uitdrager was overleed op 14 januari 1769 en hij werd begraven in de Martinikerk van Franeker, het grafschrift is bekend. Toen hij was overleden werd zijn uitdragerij verkocht.

verkoop uitdragerij Claas Tiensma

Tietje Jans Baarda overleefde hem en overleed zo rond 1776 / 1777, in het processtuk uit 1777 staat “onlangs overleden”. Omdat het testament uit 1764 stamt is het duidelijk dat de vermelding in het begraafboek van Franeker op 9 december 1763 van de begrafenis van de echtgenote van Claas Tiensma niet Tietje Baarda betreft. Dit zal Mettje Adams zijn, de vrouw van de bakkersgezel Claas Tiensma.

Na het overlijden van Tietje Baarda moest het testament van 1764 worden uitgevoerd. De kinderen van Engbert Coenderts en Barber Martens lieten vervolgens van zich horen. Want Claas Tiensma had tot zijn erfgenamen benoemd zijn neef Douwe Aukes in Drachten en zijn nicht Berberke Martens, de vrouw van Engbert Coenderts te Makkinga. Omdat zowel Douwe Aukes (Drachten, kinderloos) als Berber Martens (Makkinga) intussen waren overleden meenden de kinderen van Berber Martens recht te hebben op de helft van de massale boedel van Claas Tiensma en Tietje Baarda, het deel van Claas. De “beredders” van de boedel van Claas en Tietje waren het daar niet mee eens, waarna het proces voor het Hof van Friesland werd aangespannen.

In een ander proces keerden de kinderen van Engbert en Berber zich tegen Reinhard van Lijnden en de zijnen als Lycklama-erfgenamen. Het betrof de terugbetaling van een schuld van 1300 caroliguldens wegens arbeidsloon, materialen etc. vastgelegd in een obligatie van 8 mei 1738 aan het echtpaar Marten Douwes en Yda de Vries. Yda had als weduwe op 13 december 1753 het tegoed verdeeld op haar beide dochters Barber Martens voor 874 gulden en 10 stuivers en Antje Martens voor 425 gulden en 10 stuivers. In april 1778 hadden de andere kinderen van Engbert en Berber hun tegoed gecedeert op Coendert Engberts. Ook hier volgde een proces voor het Hof van Friesland.

De conclusie moet dus zijn dat Berber Martens en haar zuster Antje Martens kinderen waren van Marten Douwes en Yda de Vries. Dit echtpaar trouwde in 1695 in Lemmer. Yda wordt daarbij vermeld als Yda Hendriks, zonder achternaam. Barber werd op 1 maart 1696 in Lemmer gedoopt. Van haar zuster Antje is geen doopdatum terug te vinden. Marten Douwes was timmerman en overleed voor 1749 (quotisatie) in Makkinga. Yda overleed na 13 december 1753. Van Yda Hendriks de Vries heb ik verder ook niets meer terug gevonden.

Dan is het vervolgens de vraag hoe Claas Tiensma, Berber Martens en Douwe Aukes familie van elkaar kunnen zijn.
1.    Berber was zoals vermeld een dochter van Marten Douwes.
2.    Douwe Aukes werd op 17 mei 1703 gedoopt in Lemmer als zoon van Auke Gerrits en Trijntje Douwes die in 1702 in Lemmer waren getrouwd. Trijntje was toen afkomstig van het Vliet onder Leeuwarden en het huwelijk werd ook in Leeuwarden geproclameerd. Daarna verhuisden ze naar Drachten. Auke Gerrits was scheepstimmerman, dat staat al bij de huwelijksproclamatie in Leeuwarden vermeld. Zoon Douwe Aukes trouwde in Drachten met Sietske Wiegers. Dit echtpaar kreeg geen kinderen maar speelde wel een belangrijke rol in dorpsgeschiedenis van Drachten als kopers van de Drachtster vaarten in 1754.
3.    Claas Tiensma werd gedoopt in 1704 in Franeker als zoon van de korfmaker en later mede vroedschap Heere Claases Tiensma, de moeder werd niet vermeld. Deze Heere Claases werd gedoopt in Sneek op 22 november 1672 als zoon van Claas Tjeerds en Trijntje Freerks. Hierin lijkt geen verbinding met Marten Douwes en Trijntje  Douwes te liggen. Heere Tiensma werd ook begraven in de Martinikerk van Franeker, hij overleed volgens het grafschrift op 20 december 1750. Dus was het waarschijnlijk de (onbekende) moeder van Claas Tiensma die familie was. In Franeker zelf vond ik geen huwelijk van Heere Tiensma, wel in Leeuwarden waar op 4 februari 1699 voor het gerecht de korfmakersgezel Heere Claases, afkomstig uit Sneek, ondertrouwde met Aaltje Douwes, afkomstig van het Vliet bij Leeuwarden. Bij de huwelijksinschrijving op 23 februari  1699 werd Aaltje Douwes als Antje Douwes vermeld. Al op 11 juli 1699 werd Heere Claases als burger ingeschreven in het burgerboek van Franeker, daar zal het echtpaar kort na hun huwelijk naar toe zijn verhuisd. In 1704 werd in Franeker zoon Claas Heeres gedoopt.

Marten Douwes, Trijntje Douwes, Aaltje Douwes, ze waren broer en zusters. Dat verklaart de neef-nicht-relatie tussen Berber Martens, Douwe Aukes en de erflater Claas Tiensma. Dit drietal broer en zusters past precies bij het echtpaar Douwe Martens en Berber Lucas. Douwe Martens was schipper en hij werd op 13 december 1678 begraven in Leeuwarden.  In het autorisatieboek van Leeuwarden vinden we op 27 augustus 1681 een vermelding van de kinderen van Barber Lucas bij Douwe Martens. Aaltje was toen 8 jaar oud, Trijntje 5 jaar en Marten Douwes 13 jaar. Berber Lucas was intussen op 16 februari 1679 in Leeuwarden hertrouwd met de lakenwever Jan Jacobs, weduwnaar van Janke Harmens. Op 4 maart 1679 werd in Leeuwarden zowel de inventaris van wijlen Douwe Martens als van wijlen Janke Harmens opgemaakt (Aestimatieboek).

Douwe Martens en Barber Lucas lieten in 1674 in Sneek hun dochter Aaltje dopen en dochter Trijntje werd in 1677 in Leeuwarden gedoopt, waarbij de moeder niet werd vermeld.

Voor mij staat hiermee vast de afstamming van de kinderen van Engbert Coenderts via hun moeder Berber Martens van Marten Douwes en Yda Hendriks (de Vries) en via deze Marten Douwes van Douwe Martens en Barber Lucas.

De speurtocht is nog niet afgerond, op Marten Douwes en diens dochter Antje Martens kom ik nog terug in een volgende bijdrage, klik hier.

Advertenties